In de documenten staat dat mijn vader zich in 1943 vrijwillig meldde voor werk in Duitsland. Dat woord staat er. Zwart op wit. Wat “vrijwillig” betekende in een bezet land, weet ik niet precies. In vredestijd betekent het dat je uit eigen wil handelt. In oorlogstijd is die wil vaak ingeklemd tussen angst, druk en onzekerheid. 

In 1943 werd de Arbeitseinsatz opgevoerd. Gemeenten leverden lijsten aan, NSB-burgemeesters werkten mee. Jongemannen konden worden opgeroepen of opgepakt. Er waren razzia’s, er was dreiging, maar er waren ook keuzes — al werden die keuzes steeds smaller. Sommigen doken onder. Sommigen saboteerden. Sommigen wachtten af. Sommigen meldden zich vóórdat zij werden aangewezen. Sommigen deden fanatiek mee. Administratief was “vrijwillig” een helder woord: niet formeel gevorderd. Moreel is het ingewikkelder.

Mijn vader kwam terecht in Kassel, een stad die zwaar werd gebombardeerd. Nederlandse arbeiders werden ingezet in fabrieken, bij het ruimen van puin en het bergen van lichamen na luchtaanvallen. In een huilbui vertelde hij hoe mensen in kelders stikten, niet door de explosie zelf, maar door wat er daarna gebeurde: brand, instorting en verstikkende dampen die zich in afgesloten ruimtes ophoopten. Later begreep ik, na uitleg van de EOD, dat bij explosies nitreuze gassen kunnen vrijkomen die in kelders de zuurstof verdringen. Wat hij zag, kreeg daarmee een technische verklaring.

Hij vertelde ook hoe hij zich in een kelder door een stapel lichamen moest worstelen omdat iemand nog leefde. Toen hij de man bereikte, stierf die alsnog. Vanaf die tijd, zei hij, hoorde hij stemmen in zijn hoofd. Wat dat precies betekende, weet ik niet. Ik weet alleen dat dit gesprek zich in mijn geheugen niet als een helder verhaal heeft vastgezet, maar als flarden, beelden en ontzetting.

In de archieven vind ik geen spoor van verzet, geen aanwijzing van dwang, geen kampregistratie. Wel zijn er foto’s uit Duitsland die vermoedelijk tijdens zijn tewerkstelling zijn gemaakt: werk in de buitenlucht, houten constructies, barakken in een heuvelachtig landschap. Het zijn beelden van arbeid, geen beelden van uniform of bewaking. Ze tonen jonge mannen aan het werk — onder welke omstandigheden precies, weet ik niet.

Het enige fysieke spoor uit die tijd is de geamputeerde top van zijn pink, het gevolg van fijt na een splinterverwonding. Hij vertelde dat hij daarvoor tijdelijk naar Nederland mocht om het te laten behandelen. Hij moest wel terugkeren, anders zouden collega’s daarvoor boeten.

Na zijn terugkeer uit Duitsland verlies ik hem uit de archieven. Wat er precies gebeurde in 1944 en 1945 weet ik niet. Er zijn geen stukken die hem in verband brengen met bezettingsfuncties. Wel bestaan er foto’s waarop hij in uniform te zien is. Ik dateerde die lange tijd als rond 1944–1945, maar bij nadere beschouwing lijken deze uniformen eerder te passen bij een naoorlogse functie, mogelijk bij de vrijwillige politie.

Een andere foto draagt het onderschrift: “Vierde Rode Kruis Mars, 7–8 oktober 1950, Den Haag”. Daarop staat hij in de eerste rij, tweede van rechts. Ook daar in uniform. Het lijkt erop dat zijn betrokkenheid bij orde en organisatie zich vooral na de oorlog heeft voortgezet.

Daarnaast zijn er foto’s van een duidelijk later moment. Daarop staat mijn moeder terug op bezoek bij het gastgezin in Duitsland. Mogelijk heeft hij die foto zelf gemaakt. Burgerkleding, ontspannen poses, een Gasthaus met het bord “Wirtschaft zur Waldburg”. Ook duikt de naam op van het Hessische Flüchtlingsdurchgangslager “Waldschänke” in Bad Hersfeld — een naoorlogs doorgangskamp voor vluchtelingen. Deze beelden behoren tot een andere tijd: niet meer de oorlog, maar de jaren erna.

Rechtsgevoel

 Na de oorlog, tijdens de processen van Neurenberg waar nieuwe rechtsregels werden ontwikkeld, hebben we afgesproken dat ieder mens verantwoordelijk is voor zijn keuzes, ook binnen een hiërarchie. Zonder dat principe had er geen rechtspraak kunnen bestaan. Sindsdien klinkt het woord “vrijwillig” zwaarder. Die maatstaf geldt voor iedereen. Maar wanneer wij ermee terugkijken naar 1943, kijken wij met een norm die pas later expliciet is vastgelegd. Dat maakt het woord niet minder belangrijk — maar het maakt oordelen wel ingewikkelder.

 Binnen de familie werd gesproken over een “geheim”. Of dit mijn vader betrof? Ik ben gaan zoeken in archieven, lijsten en dossiers, misschien in de hoop op iets eenduidigs dat alles zou verklaren. Dat vond ik niet. Wat ik wel zie, is een patroon: meedoen in plaats van tegenstaan, geen breuk met het land waar hij werkte, een oriëntatie op structuur en gezag.

 Mijn relatie met hem was ingewikkeld. We hadden er eigenlijk geen. De pijn in mijn rug herinnert mij dagelijks aan hoe gezag in mijn jeugd vorm kreeg. Dat hoort bij dit verhaal — niet als bewijs, maar als context.

Misschien is mijn werk met tienduizenden namen geen toeval. Misschien probeer ik te begrijpen hoe systemen functioneren en hoe gewone mensen daarin terechtkomen. Niet om te veroordelen en niet om vrij te pleiten, maar om zichtbaar te maken wat er gebeurt wanneer individuen onderdeel worden van grotere structuren.

 Ik hoef mijn vader niet te ontmaskeren en ook niet te beschermen. Hij maakte keuzes binnen zijn tijd. Zijn morele afwegingen waren de zijne. De vraag die blijft, is eenvoudiger en ongemakkelijker: wat had ik gedaan als ik 21 was geweest in 1943?

 Aan mijn kinderen wil ik geen oordeel doorgeven, maar openheid. Dit is wat ik weet en dit is wat ik niet weet — en dat laatste is veel. Misschien is volwassen worden dit: kunnen kijken naar waar je vandaan komt zonder het te ontkennen en zonder erdoor bepaald te blijven. Wat wij met het verleden doen, beïnvloedt de keuzes van morgen.

IMG 7766 IMG 7767 

IMG 7769

oude foto0133