Ik bedacht die zin omdat ik wilde vertellen hoe gevaarlijk taal kan zijn. Of misschien beter: hoe gevaarlijk mensen met taal kunnen worden.
Zomaar een zin. Niet omdat hij gemeen bedoeld was. Integendeel. Verre van dat. De zin was juist bedoeld als een soort omgekeerde troost. Niet: wat fijn dat jij lijdt. Maar: misschien gebeurt er nu iets waardoor je iets ziet, iets leert, iets verandert, iets loslaat, iets nieuws begint. Misschien maak je zelfs wel de keuze waar ik op hoop voor je.
Maar zo hoeft hij natuurlijk niet binnen te komen. Iemand kan horen:
“Wat ben jij hard.” “Wat gemeen.” “Net goed, bedoel je zeker.” “Eigen schuld, dikke bult.” “Jij vindt het fijn dat het slecht met mij gaat.” En dan wordt het interessant. Want dan gaat het niet meer alleen over de zin. Dan gaat het over wat de ander erin hoort.
Ik merkte dat zelfs bij een vriend. Die las mijn zin eerst ook te scherp. Hij hoorde er iets “vals” in. Dat was niet omdat ik dat bedoelde, maar omdat de zin die mogelijkheid gaf. De woorden stonden op een kier, en daar kroop een interpretatie doorheen. Daarna corrigeerde ik hem: nee, zeker niet vals bedoeld. Verre van dat.
En toen gebeurde er iets moois. De zin werd niet kleiner, maar groter. Want ineens ging het niet meer over die ene zin. Het ging over communiceren zelf. Eerst is er wat iemand zegt. De woorden. De zichtbare taal. De zin op papier.
Daarna is er wat iemand hoort. En dat is al veel ingewikkelder. Want niemand luistert leeg. Iedereen neemt iets mee: ervaring, pijn, wantrouwen, humor, herinnering, politieke overtuiging, behoefte aan gelijk, behoefte aan veiligheid. En dan is er nog een derde laag: wat er werkelijk gebeurt tussen twee mensen. Daar zit het echte gesprek. Bij mijn zin kun je dat mooi zien. “Gaat het slecht met je?” Dat is op zichzelf een gewone vraag. “Wat fijn voor je.” Dat kan, in de juiste toon, zelfs troostend zijn. Misschien kun je door deze slechte periode nieuwe doelen stellen. Misschien begint hier een leerproces. Misschien is dit het moment waarop je wakker wordt. Maar plak je die twee zinnen aan elkaar, zonder vertrouwen, zonder tijd, zonder nieuwsgierigheid, dan kan er zomaar iets anders ontstaan: “Ha, jij hebt ellende. Mooi zo.” En dan zijn we erin gestonken. Niet omdat de zin dat per se zegt, maar omdat wij hem zo hebben dichtgetimmerd.
Dat is mijn lantaarnpaalverhaal in het echt. Ik schreef het een tijdje geleden en het staat op mijn website. Eigenlijk gaat het over hetzelfde, maar dan zonder dit voorbeeld.
Samengevat: een lantaarnpaal staat op straat. De één ziet licht. De ander ziet een obstakel. Een derde ziet gevaar. Een vierde ziet een plek om even tegenaan te leunen. En iemand anders roept: wie heeft dat ding daar neergezet? De lantaarnpaal verandert niet. De positie van de kijker verandert. Zo werkt het ook met taal. De ene luisteraar hoort troost. De ander hoort cynisme. De derde hoort verwijt. De vierde hoort wijsheid. De vijfde hoort een kans om boos te worden. En vooral dat laatste is belangrijk. Want er is een verschil tussen iemand verkeerd begrijpen en iemand strategisch verkeerd begrijpen. Verkeerd begrijpen kan iedereen overkomen. Dan zeg je: wacht even, bedoel je dit? Of: zo kwam het bij mij binnen. Dan kan het gesprek verder. Maar strategisch verkeerd begrijpen is iets anders. Dan weet je misschien best dat de ander iets genuanceerder bedoelt, maar de grove uitleg komt beter uit. Die is bruikbaar. Die levert verontwaardiging op. Die kun je citeren. Die kun je knippen. Die kun je gebruiken tegen iemand.
In de politiek zie je dat voortdurend. Er wordt niet altijd geluisterd om te begrijpen. Er wordt geluisterd om te vangen. Om een woord te vinden. Een halve zin. Een ongelukkige formulering. Niet de bedoeling telt, maar de bruikbaarheid van het misverstand.
“Gaat het slecht met je? Wat fijn voor ons!” Zie je wel! Dat is geen debat meer. Dat is woordenvissen met dynamiet. En het rare is: daar zitten vaak mensen die uitstekend kunnen denken. Het probleem is niet dat ze dom zijn. Het probleem is dat denken niet altijd hun opdracht is. Hun opdracht is scoren, markeren, aanvallen, verdedigen, de achterban bedienen. “Gaat het slecht met je?” Dan gaat het goed met ons. Dan wordt nuance lastig. Niet omdat nuance onmogelijk is, maar omdat nuance te weinig oplevert. Nuance vraagt vertrouwen. Ook vertrouwen in de politiek. Een eerste reactie is snel. Polarisatie is sneller. Nuance heeft een seconde extra nodig. Nuance vraagt nieuwsgierigheid en eerlijkheid. Wat bedoel je precies? Niet: “ik weet al wat jij bedoelt.” Maar: “waarom zeg je het zó?”
“Gaat het slecht met je? Wat fijn voor je!” Wie haast heeft, hoort hardheid. Wie boos wil zijn, vindt bewijs. Wie wantrouwt, hoort vernedering. Wie nieuwsgierig is, vraagt: hoe bedoel je dat? En dan kan de zin ineens kantelen. Een gesprek mislukt niet wanneer mensen verschillende dingen zien. Dat is normaal. Dat is zelfs interessant. Een debat mislukt wanneer ze niet meer willen weten waarom de ander iets anders ziet. Dan wordt taal geen brug meer, maar bewijsstuk. Dan wordt luisteren geen ontmoeting, maar ondervraging. Dan wordt een zin geen poging tot betekenis, maar een steen om terug te gooien. Misschien is dat de echte polarisatie in taal. In de politiek. Ze kiezen te snel. Ze knippen te snel. Ze weten te snel wat de ander “eigenlijk” bedoelt. Voor wat? Voor een puntje in het debat. Voor een kop boven een artikel. Voor een boos fragmentje op internet. Voor de eigen achterban, die even kan knikken: zie je wel, wij hadden gelijk. Maar gelijk hebben is nog geen gesprek. Gelijk krijgen is nog geen waarheid. En winnen is nog geen begrijpen. Misschien begint echte communicatie pas daar waar iemand zijn eerste reactie nog even niet vertrouwt. Niet meteen: “Zie je wel.” Maar eerst: “Wacht even. Hoe bedoel je dat?” Want een gesprek mislukt niet wanneer mensen verschillende dingen zien. Een gesprek mislukt wanneer ze niet meer willen weten waarom de ander iets anders ziet. En dat is de echte polarisatie in taal. Niet dat woorden gevaarlijk zijn. Maar dat mensen soms gevaarlijk snel klaar zijn met luisteren.