De titel Agnimile Purorhitam zal veel mensen niets zeggen. Mij zei het ook niets, zo’n dertig jaar geleden.
Ik leerde het kennen nadat ik boventoonzanger Danny Becher ontmoette, begin jaren negentig. Die ontmoeting was, achteraf gezien, geheel in stijl. Danny was iemand met een groot gevoel voor India. Vaardig op tabla’s, gongs en in meditatief zingen. Hij had eerbied voor de Indiase cultuur, voor het Sanskriet, voor de klank en voor de stilte tussen de klanken.
Zoals te verwachten was ik als gewone Nederlander wat laconieker. Ik sta open voor andere culturen, maar uiteindelijk blijft een cultuur niet zomaar migreerbaar. Je kunt een cultuur niet even overnemen alsof het een jas is die je aantrekt. Het gevoel ervoor, het respect, de verwondering — die kunnen wel reizen.
Dit nummer op Spotify staat redelijk hoog in mijn statistieken. Ik componeerde het werk vanuit een kale versie: een soundbyte van Danny waarin hij deze klanken zingt, deze bijna-oeroude “ohms”. Een meditatieve manier om inspiratie, verheffing en trance op te roepen. Niet door drukte, maar juist door herhaling. Door langzaam verdwijnen.
Tot tinnitus vat op mij kreeg, speelde ik dit soort concerten met Danny. De teneur was steeds dezelfde: muziek bestaat niet alleen om naar te luisteren, maar ook om via meditatie iets van je betere zelf te ontdekken.
Na zulke concerten kwamen mensen soms vertellen wat hun was overkomen. Verhalen waarin persoonlijke drama’s werden gedeeld, maar waarin ons concert blijkbaar ook iets had gerustgesteld. Soms ging het over verdriet, verlies, angst, ziekte, eenzaamheid, of een periode waarin iemand zichzelf even kwijt was geweest. Grote woorden werden daar meestal niet voor gebruikt. Het waren vaak zachte gesprekken, na afloop, bijna fluisterend. Alsof de muziek de deur had opengezet, maar de mensen zelf nog moesten besluiten of ze naar binnen durfden.
Dat raakte mij. Niet omdat ik dacht dat wij iets hadden opgelost. Muziek lost meestal niets op. Zij betaalt geen rekening, geneest geen ziekte, draait geen verlies terug en geeft geen doden terug aan de levenden. Maar muziek kan soms wel de adem veranderen. De onrust even uit het lichaam halen. Een mens niet redden, maar wel een ogenblik dragen.
Eigenlijk overkwam mij dat zelf ook. Geen zenuwachtige muziek meer. Geen haast. Geen bewijsdrang. Alleen wegglijden in oude rites, al spelend. Verdwijnen in mantra’s. Niet om iemand anders te worden, maar misschien juist om even dichter bij jezelf te komen.
Een geluksgevoel waar psychiaters graag het recept van zouden willen hebben.
https://open.spotify.com/track/200Eb0PmIjV2kMAn3Tsn54?si=qKzzGiD4SqSNMQ_4Zjk-jA