Zij hebben het geprobeerd
Over asiel, macht, grenzen en de bescheiden vraag wat wij wél kunnen

In de jaren dat ik opgroeide was er ook genoeg aan de hand in de wereld. Oorlogen, vluchtelingen, armoede, ideologieën, dreiging, machthebbers met grote plannen en kleine gewetens.

Als de atoombom zou vallen, moesten we onder de tafel kruipen. Dat was het devies. Daarmee werd het volk blijkbaar rustig gehouden. Een autoloze zondag was een belevenis. Bijna een nationaal uitje. Net als de Elfstedentocht, maar dan zonder ijs.

De wereld was toen dus niet onschuldig. Misschien leek Nederland alleen overzichtelijker. Je kon ’s avonds over straat. Ook meisjes en vrouwen. Mijn neef had een donkere huid en een gouden hart. Voor mij was hij geen maatschappelijk vraagstuk, maar gewoon familie.
Met het toenemen van de communicatiemiddelen werd dit kikkerlandje steeds zichtbaarder als een land met goede voorzieningen en werk. De gastarbeiders kwamen. En bleven. Ze zorgden voor een nieuwe generatie die niet met spruitjeslucht was opgevoed. De verzelfstandiging van voormalige koloniën bracht meer kleur in de samenleving, maar ook afstand tussen mensen die niet konden meebewegen op de Awasa. En zo verstreek de tijd.
Profeten als Fortuyn werden het zwijgen opgelegd. Discussies gingen niet meer over de inhoud, maar over de vorm. En die vorm moest voor iedereen passen. Maar het paste niet.
Het paste wel voor veel ontheemden en gelukszoekers die op hun telefoon hadden gezien dat Europa een goede plek was om te verblijven. En ze kwamen. Met een rubberbootje. Of met een lijnvlucht van KLM.
Nu kijken we naar de asielopvang, Ter Apel, de overvolle systemen, de lange procedures, de mensen die buiten moeten slapen, en naar een politiek die daar weer haar bekende kunstje van maakt: eerst afbreken, daarna verbaasd zijn dat er iets ontbreekt. Maar dat is maar één kant van het verhaal.
Want er waren ook waarschuwingen. Van mensen die men liever niet hoorde. Van partijen die men moreel verdacht vond. Van de Centrumdemocraten. Later van Pim Fortuyn. En van gewone mensen die misschien niet altijd de juiste woorden gebruikten, maar wel iets zagen veranderen in hun straat, hun school, hun wijk, hun land.
Die waarschuwingen gingen niet alleen over aantallen. Ze gingen over draagkracht. Over cultuur. Over integratie. Over de vraag hoeveel verandering een samenleving kan opnemen zonder zichzelf kwijt te raken. Daar is jarenlang slecht naar geluisterd. Soms omdat de toon verkeerd was. Soms omdat de afzender niet deugde. Soms omdat het gemakkelijker was om de boodschapper verdacht te maken dan de boodschap serieus te onderzoeken.
En ja, dat heeft schade gedaan. Want wie een reële zorg te lang wegzet als dom, xenofoob of fout, moet niet verbaasd zijn dat die zorg later harder, bozer en minder genuanceerd terugkomt.
Maar de andere kant bestaat ook. Er zijn mensen die echt vluchten. Voor oorlog. Voor vervolging. Voor regimes die geen tegenspraak verdragen. Voor geweld, honger, vernedering en uitzichtloosheid. Die mensen zijn geen beleidsprobleem. Die mensen zijn mensen.
En er zijn ook gelukszoekers. Dat woord mag je gebruiken. Dat heb ik al gedaan. Niet als scheldwoord, maar als beschrijving. Mensen die niet direct vluchten voor oorlog of vervolging, maar op zoek zijn naar een beter leven. Dat is menselijk. Waarschijnlijk zouden velen van ons hetzelfde doen als wij in hun schoenen stonden.
Maar menselijk zijn voor de medemens betekent nog niet automatisch: onbeperkt toelaten. Daar zit precies het ongemak.
Niet iedere asielzoeker is een heilige. Niet iedere criticus is een racist. Niet iedere vluchteling heeft recht op verblijf. Niet iedere vorm van medelijden is verstandig. Niet iedere vorm van strengheid is hardvochtig.
De werkelijkheid weigert weer eens netjes in twee kampen te passen. En dat is lastig, want kampen praten gemakkelijker. Het ene kamp zegt: iedereen is welkom. Het andere kamp zegt: ze moeten allemaal weg. Beide zinnen klinken daadkrachtig. Beide zinnen zijn te klein voor de werkelijkheid.
De politiek worstelt hier al jaren mee. Een debat over doelen verzandt al gauw in een debat over middelen. Een debat over middelen wordt al gauw politieke koehandel. En voor je het weet gaat het niet meer over mensen, maar over zetels.
Waar zou de discussie dus over moeten gaan? Niet over wie het meeste deugt. Niet over wie het hardst roept. Niet over wie het woord “menselijkheid” of “grenzen” het snelst als wapen gebruikt. Maar over de vraag:
wat is een rechtvaardige én houdbare samenleving?
Want de wereld veranderen kunnen we niet. Ze hebben het geprobeerd.
De farao’s probeerden het, met steen, piramides en goddelijke macht.Alexander de Grote probeerde het, met veldtochten, veroveringen en het idee dat de wereld in één groot rijk kon passen.De Romeinen probeerden het, met wegen, wetten, legioenen, belastingen en keizers.De Hunnen probeerden het, met snelheid, angst en verwoesting.Karel de Grote probeerde het, met kroon, kruis en zwaard.De kruistochtridders probeerden het, met God op de lippen en bloed aan de handen.De Mongolen probeerden het, met paarden, bogen en een rijk dat zich uitstrekte over halve werelddelen.De Spaanse conquistadores probeerden het, met zwaarden, kruisen en goudkoorts.De Portugese zeevaarders probeerden het, met kaarten, handelsposten en kanonnen.De Spaanse koning probeerde het, met vloot, geloof en wereldrijk.De Franse koningen probeerden het, met hofcultuur, oorlog en absolute macht.De Engelse koningen en later het Britse Rijk probeerden het, met schepen, koloniën en het trotse idee dat de zon nooit onderging.De Nederlandse kooplieden probeerden het ook, met schepen, specerijen, handel, boekhouding en een geweten dat niet altijd even luid sprak.De tsaren probeerden het, met Rusland als lotsbestemming en de mens als materiaal.De sultans probeerden het, met rijken, religie, legers en paleizen.Napoleon probeerde het, met wetten, veldslagen en een kaart van Europa alsof die van hem was.De Pruisen probeerden het, met discipline, ijzer en staat.De koloniale rijken probeerden het, met vlaggen, grenzen, plantages, bestuurders en het idee dat andere volken vooral grondstof waren.De missionarissen probeerden het soms ook, met geloof, goede bedoelingen en een vreemd soort zekerheid over andermans ziel.De revolutionairen probeerden het, met vrijheid, gelijkheid, broederschap — en soms al snel daarna met guillotines.De communisten probeerden het, met arbeidersparadijzen die opvallend vaak eindigden in kampen, angst en broodrijen.Lenin probeerde het, met partij, revolutie en theorie.Stalin probeerde het, met terreur, zuiveringen, hongersnood, kampen en het herscheppen van de mens.Mussolini probeerde het, met laarzen, balkons, marsen en Romeinse dromen op toneelpoten.Hitler probeerde het, met waanzin als staatsbeleid, rassenleer, oorlog en industriële moord.Franco probeerde het, met God, vaderland, leger en lange stilte.Mao probeerde het, met ideologie, massa, honger, angst en miljoenen levens als experiment.Pol Pot probeerde het, door de beschaving opnieuw bij nul te laten beginnen.De ayatollahs probeerden het, met God als staatsapparaat en de mens als onderdaan.De Taliban probeerden het, met bevelen uit een middeleeuws hoofd in een moderne wereld.IS probeerde het, met zwarte vlaggen, executies en een kalifaat van angst.De generaals van Latijns-Amerika probeerden het, met uniformen, verdwijningen en nationale reddingspraat.De militaire junta’s probeerden het, overal waar een zonnebril, een pistool en een volkslied voldoende leken voor gezag.De partijleiders van éénpartijstaten probeerden het, met portretten aan de muur en waarheid uit het partijbureau.De racistische systemen probeerden het, met apartheid, segregatie en keurige formulieren voor onmenselijkheid.De ideologen probeerden het, links en rechts, religieus en seculier, telkens met dezelfde gevaarlijke gedachte: eerst de werkelijkheid breken, dan komt de ideale mens vanzelf.De technocraten probeerden het soms ook, met modellen, tabellen, statistieken en het geloof dat een samenleving zich als een spreadsheet laat beheren.De marktgelovigen probeerden het, met groei, winst, efficiëntie en de gedachte dat alles waarde heeft zodra je er een prijskaartje aan hangt.De wereldverbeteraars probeerden het, soms met zuivere bedoelingen, maar ook zij vergaten weleens dat mensen geen project zijn.En nu probeert Poetin het weer, met geschiedenis als smoes, raketten als argument en loopgraven als bewijs van grootheid.
Allemaal dachten ze, ieder op hun eigen manier: deze keer lukt het wel. Met steen en zwaarden. Met God en handel. Met ideologie en terreur. Met grenzen en kampen. Met raketten en propaganda. Met spreadsheets en verkiezingsleuzen. Met grote woorden en kleine mensenlevens.
En altijd weer hetzelfde einde: tijdelijk succes, blijvende schade, en daarna de werkelijkheid die terugkomt. Vaak met rente.
Dus wat kunnen wij dan wel? Misschien begint het met ophouden met liegen.
Niet liegen over de mensen die komen. Sommigen hebben bescherming nodig. Sommigen zoeken vooral een betere toekomst. Sommigen zullen hier iets opbouwen. Sommigen zullen misbruik maken van het systeem. Dat is niet cynisch. Dat is menselijk.
Niet liegen over Nederland. Een samenleving heeft grenzen. Niet alleen fysieke grenzen, maar ook grenzen in woningen, scholen, zorg, veiligheid, taal, vertrouwen en onderlinge herkenning.
Niet liegen over cultuur. Migratie is niet alleen een administratief vraagstuk van formulieren, bedden en procedures. Het verandert wijken, scholen, omgangsvormen en soms ook het gevoel van thuis. Dat benoemen is niet kwaadaardig. Dat ontkennen is laf.
Maar ook niet liegen over onze verantwoordelijkheid. Nederland staat niet buiten de wereld. Oorlog, armoede, dictatuur en mislukte staten verdwijnen niet omdat wij de gordijnen dichtdoen. Wie vrijheid serieus neemt, kan niet doen alsof vervolgde mensen hem niets aangaan.
Waar ligt dan het gezamenlijk belang? Niet bij de leus. Niet bij het morele gelijk. Niet bij politieke partijen die van elke crisis een verkiezingsfolder maken. Het gezamenlijk belang ligt bij een samenleving die rechtvaardig én houdbaar blijft.
Dat betekent: echte vluchtelingen snel beschermen. Mensen zonder recht op verblijf snel duidelijkheid geven en ook echt laten terugkeren. Procedures korter maken. Opvang niet telkens afbreken en daarna paniekerig weer opbouwen. Gemeenten niet overvallen. Inburgering serieus nemen. Taal verplicht stellen.
Ik heb vroeger weleens mensen gebeld die na twintig jaar nog steeds geen woord Nederlands spraken. Moet oma van tachtig nog Nederlands leren? Natuurlijk niet. Maar is ze beter af in een omgeving die niet de hare is? Ook dat is een vraag die je eerlijk moet durven stellen.
Mijn lijstje is nog niet klaar.
Werk mogelijk maken waar dat kan. Criminaliteit niet wegpoetsen uit angst om “rechts” te klinken. Het programma Opsporing Verzocht bestaat niet alleen uit mensen die pech hadden met hun jeugd. Soms zijn het ook gewoon mensen die onze gastvrijheid heel ruim hebben opgevat.
Het touwtje uit de deur? Tegenwoordig zijn dat camera’s. Extra sloten. Meldingen op je telefoon. Inbraken om ons heen. En een samenleving die zichzelf ondertussen blijft vertellen dat er eigenlijk niets is veranderd.
Wat dan? Gewone Nederlanders niet behandelen alsof hun zorgen minder waard zijn dan de goede bedoelingen van bestuurders. Geen hele groepen wegzetten als bedreiging. Geen politiek bedrijven over de rug van mensen die letterlijk nergens anders heen kunnen. Maar ook niet doen alsof draagvlak een onuitputtelijke bron is waar bestuurders eindeloos uit kunnen putten.
Zelfs partijen als de PVV ruilen soms hun bestaansrecht in voor makkelijke gram en holle frases. Alsof boosheid op zichzelf al beleid is.
Dat is misschien het moeilijkste: streng zijn zonder wreed te worden. Menselijk zijn zonder naïef te worden.
Pim Fortuyn stelde ruim twintig jaar geleden een vraag die men liever niet hoorde: wat is Nederland eigenlijk, en hoeveel verandering kan een samenleving dragen zonder zichzelf kwijt te raken?
Die vraag is nooit verdwenen. Ze is ouder geworden. Bozer ook. En gevaarlijker, omdat ze te lang niet eerlijk is besproken.
Misschien kunnen wij de wereld niet veranderen. En in dat woord “wij” klinkt al enige twijfel. Want wie is “wij”? De regering? Europa? De kiezer? De buurman? Ik?
Ik probeer het maar klein te houden. We kunnen proberen ons eigen stuk wereld niet kapot te laten gaan aan leugens, gemakzucht en morele toneelstukjes.
We kunnen erkennen dat niet iedere asielzoeker zielig is.We kunnen erkennen dat sommige mensen werkelijk bescherming verdienen.We kunnen erkennen dat grenzen nodig zijn.We kunnen erkennen dat beschaving juist zichtbaar wordt in hoe je met grenzen omgaat.
Dat is geen simpel antwoord. Maar simpele antwoorden hebben ons al vaak genoeg in moeilijkheden gebracht.
De wereld redden kunnen we niet. De wereld buitensluiten ook niet.
Wat dan overblijft, is misschien ouderwets Nederlands: nuchterheid, fatsoen, orde, eerlijkheid en een beetje minder theater.
Dan maar geen touwtje meer uit de deur. Dan maar betere sloten. Dan maar wat meer Netflix.
En ondertussen doe ik wat ik al jaren doe: schrijven over geschiedenis, muziek maken die uit mijn ziel komt, mijn gezin liefhebben om wie ze zijn, en proberen niet mee te schreeuwen met iedereen die zeker weet dat hij de oplossing heeft.
Want zij hebben het geprobeerd.
Allemaal.
En kijk waar we nu staan.