Een persoonlijke terugblik op twintig jaar verandering, angst en de zoektocht naar een nieuw samenleven.
Twintig jaar na de moord op Pim Fortuyn lijkt Nederland nog altijd te leven met dezelfde vragen die toen aan de oppervlakte kwamen. We praten harder, luisteren minder en verwarren verschil met dreiging. In dit verhaal kijk ik terug op die dag, op de schok die volgde en op wat we er sindsdien – misschien – van hadden kunnen leren. Niet om te oordelen, maar om te begrijpen wat er met ons land gebeurde, en waarom we juist nu de moed moeten vinden om elkaar weer iets te gunnen.

Ik begon dit verhaal na het zien van de documentaire Fortuyn – On-Hollands. Een prachtige, soms ontroerende film waarin de mensen van toen aan het woord komen: vrienden, tegenstanders, journalisten, campagnevoerders. Je ziet in hun ogen nog de openheid, het ongeloof, de opwinding van een tijd waarin niemand kon vermoeden wat er zou volgen. Ze spreken over een man, over een beweging, maar eigenlijk ook over een land dat zichzelf opnieuw aan het uitvinden was. Wat zij toen nog niet wisten – en wat wij nu wel weten – is dat de moord op Pim Fortuyn niet alleen een politiek moment was, maar een psychologisch keerpunt. Een spiegel waarin Nederland zichzelf voor het eerst sinds lange tijd echt zag.

Wat er op 6 mei 2002 gebeurde (ik herinner me dat goed, ik lag ziek in bed en hoorde het live op de radio) was niet alleen het doden van een politicus, maar het begin van een verandering in hoe Nederlanders met verschil omgaan. De moord maakte zichtbaar wat al onder de oppervlakte borrelde: spanning over identiteit, migratie en wederzijds begrip. Sindsdien leven we in een land dat tegelijk opener, emotioneler en onzekerder is geworden.
Nederland was altijd een land van handel, haven en gastarbeid. In de jaren zestig en zeventig kwamen mensen uit Turkije, Marokko, Suriname en de Antillen – eerst om te werken, later om te blijven. Ze bouwden hier levens op, kinderen groeiden hier op, maar de werelden bleven vaak naast elkaar bestaan. De eerste zwarte man die ik zag, trouwde met een nicht. Een ongelooflijk aardige man, met een accent. De mensen groetten elkaar, maar de gesprekken bleven dun. De politiek noemde dat later ‘integratie’, maar voor veel mensen voelde het als afstand met beleefdheid. Integreren werd geen werkwoord, maar een nieuwe sticker. Die spanning was er dus al. Fortuyn zette er woorden op die iedereen begreep – en juist daardoor barstte het gesprek open.

Toen Fortuyn zei dat “de islam een achterlijke cultuur” was, zei hij niet alleen iets over religie; hij raakte aan iets diepers: de angst van Nederlanders dat hun wereld zou veranderen. Voor de één sprak hij eindelijk uit wat men dacht maar niet durfde zeggen; voor de ander klonk het als verraad, als aanval op wie ze waren. Zijn dood maakte dat gesprek niet stiller, maar harder. Vanaf toen ging immigratie niet meer over cijfers, maar over het gevoel van thuis. Iedereen wilde ergens bij horen – en vreesde om uitgesloten te worden.

Na 2002 veranderde de toon in media en politiek. Immigratie werd geen beleidsterrein meer, maar een emotie. Iedereen had er iets over te zeggen, want iedereen voelde dat het land aan het schuiven was. Sommige mensen ervoeren migratie als verrijking, anderen als verlies van herkenning. De één zag geuren, stemmen, eten, muziek; de ander zag overlast, onbekend gedrag, minder grip. Beide ervaringen waren echt, maar ze spraken elkaar zelden rechtstreeks uit. En dus spraken we over elkaar in plaats van met elkaar. De politiek zweeg, omdat ze geen antwoord had. Het eigenbelang – de achterban – woog zwaarder dan het gemeenschappelijk belang.

Fortuyns erfenis was de belofte: “Ik zeg wat u voelt.” Daarmee gaf hij een stem aan wie zich ongehoord voelde – niet alleen over migratie, maar over verlies van houvast. De jaren daarna namen anderen die toon over. Wilders, maar ook zij die zich tegen hem wilden afzetten, spraken in dezelfde emotionele registers. Het gesprek verschoof van feiten naar gevoel. We praatten niet over aantallen migranten, maar over het gevoel van drukte, van verandering, van verlies. En gevoelens laten zich niet wegredeneren. Ze zoeken erkenning, geen bewijs.

Toen het gevoel groeide dat er niet werd geluisterd, werd wantrouwen een vaste metgezel. Moslims, migranten, vluchtelingen – ze werden te vaak niet als mensen gezien, maar als symbool. Anderen voelden zich juist steeds meer bekeken, getest, gewantrouwd. Zo ontstond een dubbel wantrouwen: tussen nieuwkomers en gevestigden, tussen burgers en politiek, tussen gevoel en beleid. Wat ooit over samenleven ging, werd een strijd om identiteit.

Met sociale media kreeg iedereen een eigen Fortuyn-megafoon. Iedereen kon zijn waarheid uittoeteren. De nuance raakte uit beeld. Immigratie werd een toverwoord: voor sommigen de schuld van alles, voor anderen het bewijs van vrijheid. De echte integratie gebeurde intussen gewoon in stilte, in buurten, bedrijven, scholen en sportclubs. Mensen leefden samen, maar het publieke gesprek deed alsof dat niet bestond. Het land raakte verdeeld in toon, niet in werkelijkheid. En natuurlijk waren de islamitische extremisten de echte spelbedervers. Gevoelens van angst, ongerichte woede, zoeken van schuldigen zijn tot op de dag van vandaag nog altijd voorpaginanieuws.

Na twintig jaar debat over migratie en identiteit zijn mensen moe van “voor of tegen”. Steeds meer beseffen we dat samenleven geen keuze is, maar een feit – en dat begrip niet begint bij beleid, maar bij dagelijkse nabijheid. In zorg, onderwijs en buurten zie je iets nieuws groeien: mensen die niet meer praten over Nederland, maar het gewoon doen. Samen, zonder etiket. Niet groot, niet luid, maar echt.

Dat is misschien de belangrijkste les uit deze twintig jaar: verandering roept angst op, ook zonder dat iemand schuld heeft. Hier dan. De gewone mensen, de hardwerkende Nederlander. Erkenning is belangrijker dan gelijk krijgen. Migratie is niet alleen een beweging van mensen, maar ook van ideeën, smaken en gevoelens. Wie zich niet gezien voelt, gaat harder praten; wie zich aangevallen voelt, wordt stiller. En stilte is net zo gevaarlijk als schreeuw. De moord op Fortuyn maakte dat allemaal zichtbaar. Hij was niet de oorzaak, maar de spiegel. We zagen hoe kwetsbaar samenleven is wanneer we alleen reageren op angst en niet op begrip.

Nu, ruim twintig jaar later, kijken we opnieuw in die spiegel. De formatie van vandaag lijkt een herhaling van toen: scherpe woorden, gekwetste gevoelens en een land dat snakt naar bestuur. Wilders heeft in zijn politieke stijl de erfenis van Fortuyn voortgezet, maar ook verhard. Misschien wel niet begrepen. Zijn onhandigheid – het spreken vóór de samenwerking in plaats van mét – maakt het bijna onmogelijk om het vertrouwen te herstellen dat nodig is om te regeren. De PVV, ooit begonnen als stem van de boze burger, heeft die boosheid nooit leren vertalen naar verantwoordelijkheid. En heeft zijn plek op de eerste rij verspeeld omdat het niet kon leveren.

Tegelijk is er bij partijen als NSC het besef dat Nederland niet verder komt met winnende kampen, maar met gedeelde verantwoordelijkheid. Een regering van nationale eenheid – waarin links en rechts thema’s durven te delen in plaats van te bewaken – zou een stap kunnen zijn naar volwassen politiek. Zo’n aanpak vraagt iets wat we verleerd lijken te zijn: elkaar iets gunnen. Van Agt en Wiegel konden dat nog; ze wisten dat macht pas werkt als je haar deelt. Helaas heeft het NSC haar eigen kroonjuwelen opgegeten en verdween ze in de vergetelheid.

De formatie van nu is dus meer dan een politiek schaakspel. Ze is een morele test: hebben we iets geleerd van de afgelopen twintig jaar? Begrijpen we dat verschil niet het probleem is, maar de manier waarop we ermee omgaan? De geschiedenis sinds Fortuyn laat zien hoe snel vertrouwen verdampt als woorden wapens worden. Misschien is het nu tijd om dat vertrouwen opnieuw uit te spreken – niet als zwakte, maar als moed. Want alleen wie de ander iets gunt, gunt zichzelf een toekomst.

Ik hoop ten diepste dat D66, nu de leidende partij, niet dezelfde fout maakt als zovele voorgangers: roepen dat er constructief en positief gehandeld gaat worden, zonder eerst het puin te ruimen. Na elke oorlog moet je troosten, luisteren en samen een plan maken waarin iedereen zijn steentje kan bijdragen. In de verhalen van Fortuyn klonk die wens al door, maar de negatieve krachten van macht en angst haalden hem onderuit – letterlijk en figuurlijk. Zijn verhaal, en vooral zijn lessen, staan nog steeds overeind. Het woord is nu aan een nieuwe politieke generatie. Hopelijk hebben zij de geschiedenisboeken gelezen.