Iedereen praat over het algemeen belang.
Bijna niemand zegt wie ervoor betaalt.
Collega’s, ambtgenoten van de Tweede Kamer,
Ik kom u niet prijzen. Wij zijn hier bij elkaar om onze leiders te kiezen — tenminste voor de komende vier jaar. Na een periode waarin het debat ons verder van oplossingen bracht, waarin we werden verdeeld, gespleten en uitgespeeld, staan we hier opnieuw aan het begin.
Ik sta hier niet om het beleid te prijzen. En zeker niet om mijn tegenstanders in het vorige kabinet te veroordelen. Zij hebben zichzelf overwonnen. Maar wie hier zonder schuld is, werpe de eerste interruptie.
Wij zijn hier bijeen om te spreken over het algemeen belang, de plannen voor de komende jaren, dat wat ons bindt, juist wanneer het ons ongelijk raakt. Dat zeggen wij tenminste. Telkens weer. Met grote woorden en oprechte gezichten. En toch vraag ik mij af: wanneer heeft iemand van ons dat algemeen belang werkelijk uitgesproken — inclusief de prijs die daarvoor betaald moet worden?
Want dát is het punt, collega’s. Elke maatregel die wij verdedigen, dient het geheel. En elke maatregel schaadt een deel. Dat is geen mening. Dat is een wetmatigheid. Dat is niet links. Dat is niet rechts. Dat is besturen. Maar wij spreken slechts over het eerste.
Onze nieuwe collega en leider — en ik noem hem zo omdat hij geen naam nodig heeft — handelt uit zuivere motieven. Dat zegt hij tenminste. Hij wil rechtvaardigheid. Hij wil voorkomen dat het systeem bezwijkt. Hij wil het goede doen. En daarin is hij eervol. Niemand hier twijfelt daaraan. Maar juist omdat zijn bedoelingen zo zuiver zijn, wordt het onzuivere verzwegen. Want waar is in onze betogen de zin gebleven die zegt: “Dit besluit treft deze mensen en wij achten dat aanvaardbaar.”
Wij zeggen het niet. Wij durven het niet. En dus doen wij alsof het niet bestaat. En dan zijn er wij, collega’s, die verontwaardigd reageren. Die spreken over hardheid, over kilte, over onmenselijkheid. Ook dat klinkt nobel. En vaak is het dat ook. Maar laat ons eerlijk zijn: hoe vaak benoemen wij wie het geheel dan moet dragen? Hoe vaak zeggen wij: niet deze groep, maar die andere. Niet nu, maar later. Zelden. Want ook wij willen niet zeggen wie de sjaak is.
Zo houden wij elkaar gevangen in een spel van morele superioriteit, waarin niemand verantwoordelijkheid draagt voor het onvermijdelijke verlies.
Collega’s, dit Huis lijkt te spreken. Maar in werkelijkheid zwijgt het. Het zwijgt over offers, ongelijkheid, pijn die niet te vermijden is. En zolang wij dat blijven doen, zullen burgers ons niet wantrouwen omdat wij hard zijn, maar omdat wij oneerlijk zijn. Niet omdat wij keuzes maken, maar omdat wij doen alsof keuzes geen slachtoffers kennen.
Ik kom hier niet om te veroordelen. Ik kom hier om iets te zeggen wat wij te vaak inslikken. Besturen betekent kiezen. Kiezen betekent verliezen verdelen. De vraag is niet of wij dat doen, maar of wij durven zeggen wie de rekening betaalt en waarom.