Dit is weer zo’n verhaal dat blijft kleven. Het popt op — bijvoorbeeld als het Koninklijk Huis ineens lid wordt van het reservistenleger. Klaar om door de modder te kruipen, te abseilen, en geen Italiaanse fashion meer te dragen tijdens het oefenen voor de rang van luitenant-kolonel.
Nu zou je misschien denken dat ik hier cynisch over ben. Maar verre van dat. Er heeft zich ergens toch iets genesteld in het Koninklijk Brein. De vlucht in 1940 naar Engeland — terwijl kleren, geld en andere zaken al van tevoren waren verscheept — was natuurlijk de afgang van de eeuw. Ja, maar: zij zijn van koninklijk bloede. Dat moest gered worden.
En nu kom ik bij mijn punt.
De foto waar je mij aan het hoofd van de tafel ziet, is genomen tijdens een bijeenkomst waar ik zelf grote inbreng in had. Een ontmoeting tussen de 110 Transport Compagnie en een Franse tegenhanger. Het werd nog mooier: ik organiseerde ook contact met Britse veteranen die in 1944 in Normandië voet aan grond hadden gezet. Om ons te bevrijden.
Dit verblijf vond plaats op het vliegveld van Carpiquet. Het begon heel eenvoudig: aanbellen bij de wacht. Stap voor stap kwamen we terecht bij de commandant van het vliegveld met de vraag of deze Hollandse compagnie een bivak mocht opbouwen op hun terrein. De plek had voldoende sanitaire voorzieningen en, belangrijker nog, directe binding met andere militairen.
Op de foto zit ik dus aan het hoofd van de tafel. Gelukkig voor mij, met een mooie luitenant aan mijn rechterhand.
Deze militairen kwamen net terug uit Afghanistan en konden zich alvast verheugen op een volgende uitzending. ’s Avonds, bij een knappend militair haardvuurtje buiten, spraken we over de dilemma’s. Dilemma’s waarvan we nu kunnen zien dat het ook echt dilemma’s waren. Moeten we dit wel doen? Maar zolang het volk en de Tweede Kamer der Staten-Generaal dit willen, doen we dat.
Overigens moest ik het zelf ook wel ontgelden. Even hard worden — net zoals nu met de koningin en kroonprinses. De eerste nachten kreeg ik geen ‘goedgekeurde’ slaapzak. Ik moest maar zien hoe ik mezelf warm hield.
Daar tegenover zei ik tegen een andere luitenant:
“Zeg maar Fred.”
Hij antwoordde:
“Iemand van uw statuur spreek ik niet bij zijn voornaam.”
Mijn egootje kon er weer een paar dagen tegen de kou.