“Tussen de laad- en losramp en het podium liggen soms maar een paar uur.”
Achter die cryptische gedachte schuilt een waargebeurd verhaal.
Naar aanleiding van mijn opmerking in een artikel over mijn belevenissen onderweg naast mijn werk als musicus, wil ik dit verhaal wel kwijt.
Een halve eeuw geleden werkte ik als oprichter van de Slagwerkgroep Den Haag in vele hoedanigheden. Als ik schrijf dat ik de oprichter was, zullen de collega’s van toen meteen opmerken dat ik medeoprichter was. Dat klopt, zeg ik dan. Maar mijn werk toen was niet alleen maar mede-oprichten. Er zat ook nog veel handwerk omheen. En daar waren niet altijd mede-genoten voor beschikbaar. Alle Haagse slagwerkers woonden namelijk niet in Den Haag. Het zou niet redelijk zijn om ze te vragen mee te helpen met het lossen van de auto en het wegbrengen van de auto. Dat kost best wel wat tijd. Toch?
Ik werkte dus voor én achter de schermen. Ik speelde mijn partijtje tijdens de concerten, maar ik regelde ook vervoer, transport, instrumenten, repetitieruimte, gastspelers, financiering en nog wat van die zaken waarvan iedereen blij is dat ze geregeld zijn, maar waarvan niemand precies weet wie het deed. Ik kom daar misschien nog wel eens op terug.
Nu gaat het even over rangen en standen.
De tijd waarin dit verhaal speelt was Duitsland nog verdeeld door het IJzeren Gordijn. De oorlog was nog voelbaar. Misschien klinkt dat raar uit mijn mond als boomer, maar tijdens tournees door Duitsland merkte je dat snel genoeg. Er waren lijnen. Er waren petten. Er waren functies. Er was status. En er waren mensen die vonden dat jij die status onmiddellijk moest herkennen. Er waren rangen en standen. Ook in de cultuursector.
De status van een musicus werd nogal verschillend beoordeeld. Een anekdote uit die tijd: ik ben wel eens door Duitse beambten uit een auto getrokken omdat ik bij de grens vertelde dat ik onderweg was naar een concert. Ik zag er niet uit als iemand die naar een concert ging. Geen rokkostuum, geen keurige scheiding, maar haar op de gewenste lengte van een tijdsbewuste jongeling. Het was bovendien de tijd van de Rote Armee Fraktion. Dus stond ik daar met mijn handen omhoog, onder schot gehouden door machinegeweren. Werkelijk waar. Weer een wapen op me gericht. Ook drugshonden namen mij en mijn auto uitgebreid op.
Dat mocht de pret niet drukken. Want tegenover de mogelijkheid dat je als langharig tuig werd behandeld, stond in Duitsland ook een enorme waardering voor Kultur. Over Jan van Gilse en Richard Strauss en hun strijd over wie zich drager van die Kultur mocht noemen, zou ik nog kunnen uitweiden. Maar nu even niet.
Ik reed graag met de vrachtwagen met instrumenten van de Slagwerkgroep Den Haag. Dat betekende wel dat ik als eerste aankwam en als laatste vertrok. Voor de oplettende lezer: als eerste vertrok en als laatste aankwam. Aankomst of vertrek. Zo werkt dat met vrachtwagens. Iedereen stapt na afloop in een personenauto en jij staat nog een pauk vast te sjorren.
Wie mij wat beter kent, weet dat ik niet zo snel onder de indruk ben van status. Een pet, een uniform, epauletten, een titel of een bordje op een deur; het zegt mij niet zoveel. Ik reageer meestal op gedrag. Op gegeven of gekregen respect. Dat heeft als groot voordeel dat ik heel snel op hetzelfde level communiceer als degene tegenover mij. Soms is dat gezellig. Soms wat minder. Later, in mijn rol als directeur van een grote instelling, vond ik dat een groot voordeel. Het kunnen schakelen naar de persoon of situatie die je op dat moment aantreft. Op basis van respect. Mijn status deed er niet toe. Dat is altijd zo gebleven.
Even terug naar de flowerpowertijd.
Zo kwam ik aan bij een concertzaal in Duitsland. Ik reed de vrachtwagen naar de losramp en daar stond een man met denkbeeldige pet en epauletten. Hij begon meteen hoog van de toren tegen mij uit te varen.
“Schnell, schnell!”
Bevelen. Gebaren. De toon die erbij hoorde.
Ik kreeg natuurlijk meteen de bijbehorende associaties met een tijd die nog maar net een generatie achter ons lag. Dus ik deed gewoon mee. In mijn beste Duits-Haagse dialect begon ik terug te schelden. Mijn aanpassingsvermogen is wat dat betreft onbegrensd. Net als de binnenpret.
Toen de vrachtwagen gelost was, kwamen mijn collega’s aanrijden in een prachtige auto. De hoofdact van de avond was gearriveerd. De man met pet en epauletten wist meteen wie hij tegenover zich had. Zijn houding veranderde onmiddellijk. Keurig. Beleefd. Respectvol. Misschien nog een smerige blik mijn kant op, maar verder hoorde ik kennelijk bij de afdeling vrachtwagens.
Samen met mijn collega’s stelden we de instrumenten op. Daarna een korte geluidsrepetitie en vervolgens naar de kleedkamer. Omkleden. Ook ik dus. Wij traden in die tijd meestal op in stemmig zwart.
Toen we richting podium liepen, stond de man met pet en epauletten er nog steeds. Ik heb zelden een mond zo ver naar beneden zien zakken. Daar stond ik ineens niet meer als de chauffeur die hij ’s middags de huid had volgescholden, maar als een van de vier leden van die inmiddels bekende groep aus Holland. Een van de mannen waarvoor het publiek die avond was gekomen.
Ik ben zelden zo vrolijk aan een belangrijk concert begonnen. Niet alleen om zijn gezicht. Ook om mijn eigen plotseling teruggekeerde Duits-Haagse accent. Maar vooral omdat ik weer eens bevestigd zag hoe mensen naar elkaar kijken.
Toen waren dat levenslessen. Lessen die mijn leven daarna behoorlijk hebben bepaald.
Er zijn nog steeds rangen en standen in de samenleving. Dat kan, dat mag en soms moet het zelfs. Maar zodra mensen hun gedrag gaan aanpassen aan de pet die ze dragen, denk ik vaak terug aan die tijd. Een tijd waarin Befehl ist Befehl tot een van de grootste echecs van de vorige eeuw heeft geleid, maar waarvan de lessen tot op de dag van vandaag niet door iedereen zijn geleerd.
Sommige mensen gun ik dan ook wel eens de rol van bijrijder.
Gewoon naast iemand zitten.
En dan goed om je heen kijken.