Begin jaren tachtig ging ik met de Slagwerkgroep Den Haag naar Turijn om een concert te geven in het conservatorium. Zoals wel vaker reed ik zelf de vrachtwagen. Dat vond ik veel leuker dan vliegen. In een vliegtuig zie je wolken en misschien een leuke stewardess. In een vrachtwagen zie je Europa.
Je ziet landen langzaam veranderen, de bergen dichterbij komen en onderweg maak je veel meer mee.
Ik kwam zonder problemen in Turijn aan. Mijn grootste zorg was eigenlijk de vrachtwagen. Het was een splinternieuwe Mercedesbus en het was de eerste grote reis die hij maakte. Bovendien lagen er instrumenten in en allerlei spullen die je niet zomaar vervangt. Daarom vroeg ik bij aankomst waar ik de wagen veilig kon neerzetten.
“Geen probleem”, kreeg ik te horen.
Met het gemak van een onbezorgde Italiaan werd mijn zorg afgewimpeld.
Ik heb in mijn leven geleerd dat je soms juist ongerust moet worden als iemand twee keer achter elkaar zegt dat iets geen probleem is. Maar goed, je bent te gast, vertrouwt op de organisatie en gaat naar je hotel.
Dat hotel lag vlakbij. Toch sliep ik die nacht slecht. Misschien voelde ik iets aankomen. Misschien was het gewoon de spanning van de reis. Hoe dan ook, rond zes uur stond ik op en liep naar buiten om een kijkje te nemen bij de plek waar ik de auto had geparkeerd. Naast het conservatorium.
De vrachtwagen was verdwenen.
Waar hij had gestaan lag een hoopje glas.
Ik weet nog goed dat ik niet meteen schrok, maar eerst kwaad werd. Niet vanwege die vrachtwagen zelf, maar omdat ik het gevraagd had. Ik had letterlijk gevraagd om een veilige plek. Ik belde onmiddellijk de organisatie en liet duidelijk merken wat ik daarvan vond.
Men ging meteen aan de slag. Ondertussen wilde ik aangifte doen. Dat leek mij de normale weg. Alleen bleek Turijn op dat moment niet bepaald een normale stad te zijn.
In die periode waren er aanslagen en moorden gepleegd rond Fiat. De hele stad stond op scherp. Toen ik bij de politie kwam, liep iedereen met kogelvrije vesten rond en kreeg ik sterk de indruk dat een Nederlandse muzikant met een verdwenen vrachtwagen niet bovenaan de prioriteitenlijst stond. Men had wel iets anders aan het hoofd.
Terwijl ik probeerde aandacht voor mijn probleem te krijgen, gebeurde er achter mijn rug om iets veel effectievers. De organisatie legde contact met mensen die kennelijk beter wisten waar mijn vrachtwagen zich bevond dan de politie.
De lokale maffia.
Ik herinner me nog een prachtig plein in Turijn met een ijssalon. Terwijl ik daar zat, werden er telefoontjes gepleegd en gesprekken gevoerd. Op enig moment werd mij verteld dat er een afspraak geregeld was.
Meer uitleg kreeg ik niet.
Tijdens die ontmoeting werd mij duidelijk gemaakt dat ik mijn vrachtwagen terug kon krijgen. Er werd niet geschreeuwd. Er werd niet gedreigd zoals in films. Dat was juist het merkwaardige. Op een gegeven moment zag ik onder een jas een pistool verschijnen. Niet om ermee te zwaaien, maar meer als een subtiele mededeling dat sommige gesprekken beter niet te ingewikkeld gemaakt konden worden.
Er speelde nog iets. Ik had blijkbaar iemand gezien die ik beter niet had kunnen zien. Of men dacht dat ik iemand gezien had. Dat werd nooit helemaal duidelijk. Wel werd duidelijk gemaakt dat mijn aangifte beter kon verdwijnen.
Kort daarna kreeg ik een adres in een buitenwijk van Turijn.
Daar stond mijn vrachtwagen.
Mijn splinternieuwe Mercedes.
Met een ingeslagen ruit.
Het geld dat ik in de auto had liggen was verdwenen. Geld van een aantal concerten daarvoor in Frankrijk. Mijn nieuwe jas was verdwenen. Mijn nieuwe fototoestel was verdwenen. Maar de instrumenten stonden er nog allemaal in.
Dat was uiteindelijk het enige wat telde.
We hebben het concert gewoon gespeeld. Wat ik van die uitvoering nog weet, weet ik eerlijk gezegd niet meer. Wat ik wel onthouden heb, is hoe wonderlijk die dagen waren. De politie had geen tijd voor me, de maffia wel.
Officieel werd de vrachtwagen nooit teruggevonden.
Hij stond er ineens gewoon.
Ik ben daarna nooit meer terug geweest naar Turijn.
Terug in Nederland wilde ik het verlies van mijn jas en geld, en de schade aan de auto declareren. De verzekering stond erop dat er iemand langs zou komen. Dat kon.
Ik had de aangifte bij de Italiaanse politie nog bewaard.
Alles werd vergoed.
Want, zo zeiden ze:
“Zo’n verhaal verzin je niet.”