Toen een mening nog een mening was…
We leven in een tijd waarin iedereen recenseert, maar steeds minder mensen echt luisteren.
Ik schreef een persoonlijk stuk over oordelen, bekeken worden, en de kunst van het terugkijken — op jezelf.
Over media die meningen machines zijn geworden.
Over wat het betekent om iets te maken, en om daarmee beoordeeld te worden.
En dus schreef ik ook… een recensie van mezelf.
Geen rapport. Een spiegel.
En de muziek? Die zegt misschien nog meer:
When She is Calling Me, https://open.spotify.com/track/6TWepHHP4AuYjWxTPXFe3h?si=f8bae310c9c34580
Toen een mening nog een mening was – over makers, meningen en het recht van spreken
Toen het nog heel lang geleden was, was er een mening. Niet een mening als handelswaar, of als algoritmisch wapen, maar een gedachte die voortkwam uit kijken, luisteren, nadenken. Die zich liet vormen in stilte, en zich pas liet horen als ze iets wilde bijdragen. Die mening was er om mensen te helpen. Immers, die mening hielp om een juiste keuze te maken.
Op een dag kwam er onverwacht uit verre, onbekende streken een recensent aangelopen. Hij was vriendelijk en behulpzaam. Hij keek en luisterde met aandacht. Hij stelde vragen. Hij ging voor je uit, als gids in het donker. Maar op een dag kreeg de recensent een eigen mening. En toen...
We zijn allemaal recensenten geworden. Van kunst, van politiek, van elkaar. Maar wie recenseert nog met aandacht, met kennis, met verantwoordelijkheid? En belangrijker: wie durft zichzelf nog te recenseren?
Ik herinner me hoe recenseren ooit was voorbehouden aan de kenner. De criticus. Iemand met gezag, met overzicht. Iemand die richting gaf, ook al was het pijnlijk. Nu recenseren we allemaal, altijd, overal. Op sociale media, op platforms, in gesprek. We oordelen snel, vaak, en hard. Niet alleen over wat iemand maakt, maar steeds vaker over wie iemand is. We hebben er een mening over – en die moet gedeeld.
Wat mij opvalt: hoe minder we zeker weten, hoe harder het oordeel. Hoe sneller we oordelen, hoe minder we lijken te luisteren. Inhoud, context en factchecking zijn ondergeschikt geraakt aan toon, houding en sentiment. Het gaat niet meer over: wat is er werkelijk gezegd of gedaan? maar over: hoe voel ik me erbij – en wat vind ik daarvan?
Ik zie hoe we tegenwoordig vooral elkaar recenseren. Niet als experts, maar als spiegelbeelden. Ieder vanuit zijn eigen bubbel, verwachting, achtergrond. Het is een eindeloze meningenruil geworden waarin bijna niemand meer tijd lijkt te nemen om zich af te vragen: ben ik eigenlijk wel degene die hierover iets mag of kan zeggen?
Heb ik genoeg gezien, gelezen, gevoeld? Of projecteer ik vooral wat ik zelf mis? En andersom: als ik word beoordeeld – wie is die ander dan? Iemand die iets van mijn werk weet? Of alleen iets van zichzelf?
Misschien is het tijd om die vraag serieuzer te nemen. En ik merk dat ik steeds vaker terugdenk aan een paar voorbeelden.
Enkele scènes uit het theater van de recensie
Ik denk aan Het boek Ont van Anton Dautzenberg – een roman die bewust autobiografisch leek maar het niet was. Recensenten prezen de authenticiteit, het doorleefde trauma. Pas later bleek het fictie. Die recensies hadden geen werk besproken, maar verwachting.
Of aan Bob Dylan, die de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. Het werk bleef grotendeels buiten beschouwing. Het oordeel ging over grenzen. Of hij er wel bij hoorde. Alsof het niet over zijn teksten ging, maar over zijn plaats in het systeem.
En ik zie het ook dichterbij: makers die lof krijgen omdat hun boodschap deugt, niet hun werk. Of worden afgeserveerd omdat ze niet voldoen aan het beeld dat anderen van hen hebben. Het werk zelf raakt uit beeld.
De tomaat als recensie
In dezelfde periode kwamen ook componisten als Peter Schat, Reinbert de Leeuw en Louis Andriessen in actie. Zij keerden zich tegen het conservatisme in de muziekwereld, bekritiseerden gevestigde instituten zoals het Concertgebouworkest en schreven geëngageerde werken zoals de opera Reconstructie. Ook zij waren makers die zich kritisch uitlieten over het systeem waar ze deel van uitmaakten.
In de jaren 70 gooiden jonge theaterstudenten tomaten naar het toneel. Actie Tomaat. Een fel protest tegen vastgeroeste instituties, oud repertoire, elitaire instellingen. Een oordeel in vruchtvorm. Maar ook een roep om ruimte.
Later werden de tomatenwerpers zelf directeur. Beleidsmakers. Ze gingen op de stoelen zitten waar ooit de tomaten terechtkwamen. En toen kwamen er nieuwe tomaten. Want wie eist dat er geluisterd wordt, moet ook leren luisteren.
Kritiek veroudert. En wie niet mee verandert, wordt vroeg of laat zelf onderwerp van het oordeel.
De crux
De meeste recensies gaan niet over het werk. Ze gaan over onszelf. Over wat we denken te zien. Over wat we hopen bevestigd te krijgen.
De echte vraag is: wat zie ik eigenlijk als ik kijk? En wat breng ik mee aan oordeel, verwachting, angst of ervaring?
En daarom moet ik, als ik blijf recenseren – en dat doe ik – ook leren om mezelf te recenseren. Niet om mezelf klein te maken. Maar om het gesprek eerlijk te houden.
Want recenseren is makkelijk als je aan de veilige kant staat. Maar wat als ik onderwerp word? Wat als mijn werk besproken wordt door iemand zonder context, zonder kennis, zonder poging tot begrijpen?
Dan wil ik dat er aandacht is. Aandacht die ik misschien zelf zelden gaf.
De spiegel
Ik schrijf dit stuk omdat ik zie hoe de media veranderd is. Van een plek waar feiten werden uitgelegd, gewogen, geduid – naar een machine waarin meningen worden geproduceerd, versterkt en verspreid. Wat ooit een analyse was, is nu vaak een reactie. Wat ooit werd gecheckt, wordt nu gedeeld. Wat ooit ging over wat er is gebeurd, gaat nu vooral over wat je ervan vindt.
De recensie, in haar oorspronkelijke vorm, is iets prachtigs. Een werkstuk op zichzelf. Een spoor van aandacht en toewijding. Iemand die jou voorgaat in het kijken, luisteren, begrijpen. Die je iets laat zien wat je misschien over het hoofd zag. Die ruimte laat voor twijfel. Voor groei.
Dat is wat ik mis. En misschien ook waarom ik ben gaan schrijven.
Die zoektocht zit ook in mijn muziek. Het stuk When She is Calling Me vertelt in klanken wat ik hier probeer te zeggen in woorden, al zijn de gezongen vocalen betekenisloos in gesproken taal – het is puur muziek en klank, geen tekst met semantische inhoud. De muziek legt het misschien nog beter uit dan ik zelf kan.
Misschien is de meest eerlijke recensie niet die over het werk. Maar die over hoe we kijken. En wat we – ondanks alles – blijven missen.
Daarom schrijf ik dit stuk. Niet als verdediging, maar als oefening.
Een recensie van een maker. Door mijzelf. Omdat ik ook wil begrijpen wat ik zie. En wat ik nog steeds niet zie.
Tot slot
Fred Vogels is componist en schrijver. Hij maakte honderden muziekwerken, maar schrijft nu een recensie over het lastigste werk van allemaal: zichzelf.
Zelfrecensie van een maker
door Fred Vogels (onder protest van Fred Vogels)
Eerste indruk
Aardig type. Eigenwijs. Denkt veel. Soms te veel. Lijkt op zoek naar iets, al weet hij zelf ook niet altijd wat.
Weet wel altijd waarom niet. Dat helpt.
Verwacht geen vaste vorm, geen eenduidige stijl. Houdt van orde in de chaos, maar raakt onderweg vaak afgeleid door interessantere gedachten.
Opvallend: voelt zich soms beter begrepen door vogels dan door mensen.
Stijl en thematiek
Werkt in golven. Stille weken worden plots onderbroken door een storm van ideeën, zinnen, klanken. Alles moet dan ineens tegelijk.
Houdt van ruimte: in taal, in muziek, in denken.
Grote interesse in wat verdwijnt: mensen, noten, waarheden.
Roept vragen op zonder direct antwoorden te geven – maar dat lijkt opzet.
Sterke punten
• Ziet dingen die anderen niet meteen zien.
• Durft langzaam te denken in een wereld die schreeuwt om snelheid.
• Heeft een goed oor. Niet alleen voor muziek, ook voor stiltes.
• Weigert mee te doen aan modieuze simplificaties.
Zwakke punten
• Kan lang blijven hangen in details.
• Houdt niet van hokjes, maar maakt er soms toch weer nieuwe.
• Gaat liever een gesprek aan met de geschiedenis dan met Excel.
• Heeft een lichte allergie voor de woorden ‘moeten’, ‘strategie’ en ‘content’.
Eindoordeel
Geen publiekslieveling, wel een groeitype.
Niet ontworpen voor de hitlijsten, maar geschikt voor mensen die durven blijven luisteren.
Een maker die zichzelf blijft bevragen.
En dat is – hoe je het ook wendt of keert – een aanbeveling waard.
Misschien is het tijd dat we allemaal iets vaker de recensie laten voor wat die is – en eerst eens stil zijn. Kijken. Luisteren. En pas dan: vragen stellen. Aan het werk. Aan de maker. En ja, ook aan onszelf.